Op 27 februari 1999 schreef ik deze ingezonden brief in De Volkskrant, omdat ik het er niet mee eens was dat de NietNix-voormannen Booij en Van Bruggen niet tot voorzitter waren gekozen en dat een motie voor een generaal pardon van ´witte illegalen´ niet was aangenomen.
Motie
Op het partijcongres van de PvdA kregen de afgevaardigden tot twee keer toe de
mogelijkheid de partij om te vormen van een grijze bureaucratische
regeringspartij tot een sociale, progressieve volkspartij. De eerste kans was de
verkiezing van Booij en Van Bruggen tot partijvoorzitter. Zij waren het middel
om de partij niet te laten verworden tot een kleurloze fanclub van Kok. In de
riante centrumpositie waarin de PvdA zich bevindt, is het risico groot dat men
zich blind staart op de macht en er te weinig aandacht is voor de
partijstructuur. De belangrijkste taak van de voorzitter is dan ook om de partij
fris te houden, want macht duurt niet eeuwig.
De tweede gemiste kans was het aannemen van twee moties van de Jonge
Socialisten. Een motie vroeg om een generaal pardon voor de 'witte illegalen',
en met de andere werd Melkert op het matje geroepen vanwege zijn uitspraak dat
uitgeprocedeerde asielzoekers geen opvang meer mogen krijgen als het land van
herkomst ze niet terugneemt. Beide moties werden verworpen. Blijkbaar neemt het
congres, de enige plek waar de leden op democratische wijze concreet beleid
kunnen maken, zijn taak niet serieus.
Progressief en sociaal: dat zou de PvdA moeten zijn. Maar met Van Hees is
gekozen voor consolidatie. Sociaal, dat betekent dat je mensen die een huis
nodig hebben, een huis geeft. Conservatief en kleurloos: dat zijn termen die
veel beter bij de PvdA passen.
Amsterdam, Michiel Mulder