Met Omar Ramadan en Eddy Bekkers schreef ik dit artikel in de Volkskrant van 24 oktober 1997 en in het Algemeen Dagblad:
De
belastingvrije voet moet blijven
Minister Zalm en staatssecretaris Vermeend van
financien zijn bezig met het ontwerpen van een nieuw belastingstelsel voor de
21ste eeuw. Hun plannen zien er over het algemeen goed uit, zoals het belasten
van producten en energie in plaats van arbeid. Ook willen zij, heel terecht, het
individu als fiscaal uitgangspunt nemen en niet meer het gezin. Maar niet alle
voornemens zijn zo verstandig. Met name het plan om de belastingvrije voet af te
schaffen, lijkt ons onaanvaardbaar. Het zou een ramp betekenen voor grote
groepen mensen.
Hoe is het toch mogelijk dat dezelfde politici zowel zulke goede als slechte
plannen kunnen verzinnen? Misschien komt het wel omdat beiden - met het kabinet
- lastenverlichting als doel in zichzelf zien. Uit een recent interview met
Vermeend en een interne nota van het ministerie van financien blijkt dat men een
verlaging van alle marginale tarieven wenst. Om dit te bekostigen, staat daar
het afschaffen van een aantal aftrekposten alsmede de belastingvrije voet
tegenover.
Er zijn drie grote nadelen verbonden aan afschaffing van de belastingvrije voet.
Ten eerste zou het een ongekende inkomensachteruitgang betekenen voor een groep
die door de heren politici kennelijk over het hoofd gezien wordt: mensen zonder
volledig inkomen. Iedereen met een inkomen tot ƒ 17 200 is de pineut. We hebben
het dan over de scholier die vakken vult in de supermarkt, de student die de
studie bekostigt met een bijbaantje of jongeren tot 20 jaar die tegen het
jeugdminimumloon werken. Vaak verdienen zij per jaar niet (veel) meer dan de
belastingvrije voet, die voor hen vanaf januari ƒ 8 600 bedraagt.
Waarschijnlijk verlagen Zalm en Vermeend de eerste schijf met een fiks
percentage. Dat zal iedereen met een 'normaal' inkomen verheugen, want het
afschaffen van de belastingvrije voet wordt voor hen hiermee ruimschoots
gecompenseerd. Voor de student of scholier met bijbaan is het echter een
drastische achteruitgang. Voorheen hoefde er immers helemaal geen belasting
betaald te worden, of hooguit voor die paar guldens die over de belastingvrije
voet heen gingen. Nu moet over al het zuurverdiende geld belasting betaald
worden.
Uitgaande van een verlaging van de eerste schijf tot 18 procent, zou een
18-jarige die tegen het jeugdminimumloon werkt, te maken krijgen met een
achteruitgang van ƒ 600 per jaar. Een student die ƒ 6 000 gulden per jaar
bijverdient, moet voortaan ƒ 1080 aan de fiscus afdragen.
Wellicht zullen de bewindslieden van financien, al dan niet onder druk van het
parlement, deze bezwaren willen ondervangen door compensatiemaatregelen.
Compensatiemaatregelen maken het nieuwe belastingstelsel echter ondoorzichtig,
terwijl het juist de bedoeling was het stelsel te vereenvoudigen. Bovendien is
het moeilijk om iedereen die er in inkomen op achteruitgaat te compenseren. Als
je ontvangers van studiefinanciering compenseert, vergeet je de middelbare
scholier die 's zomers bollen pelt. Als je jongeren tegemoetkomt, zie je ouden
van dagen met een krantenwijkje over het hoofd.
Compensatiemaatregelen deugen dus slechts als iedereen met een
inkomensachteruitgang er aanspraak op kan maken. Niet alleen wordt dan de angel
uit het plan gehaald, ook zien we dan in waarom dit idee voor een derde reden
niet deugt: afschaffing van de belastingvrije voet is onnodig en haalt de
progressiviteit uit ons belastingstelsel. Nu al is het zo dat door mazen in de
wet en slimme accountants de rijksten lang niet altijd de zwaarste lasten
dragen. Maar door het verlagen van het toptarief en het afschaffen van de
belastingvrije voet zal zelfs iedere waan van een progressief belastingstelsel
verloren gaan.
De fiscalisten in het kabinet dienen nog maar eens goed na te denken over de
consequenties van hun plannen.
De auteurs zijn resp. politiek secretaris (en kandidaat-voorzitter) en lid van
de werkgroep economie van de Jonge Socialisten in de PvdA (JS).