Efficiënte
overheid
Iedereen is van mening dat de overheid efficiënt moet werken. Het beeld
dat geschetst wordt dat de overheid massaal free lunches laat liggen valt
echter te betwijfelen. Onder Paars werd onder de noemer ‘Marktwerking,
deregulering en wetgevingskwaliteit’ gewerkt aan een efficiëntere overheid en
de bezuinigingen van het huidige kabinet gaan zover dat ze raken aan de
kerntaken van de overheid, die zelfs liberalen als essentieel beschouwen, zoals
de jeugddetentie ter voorkoming van een langdurige en kostbare carrière van
criminele jongeren.
Een
efficiënte overheid begint bij het hoogste niveau: de politiek. Het gebrek aan
zelfregulerend mechanisme binnen de PvdA is ronduit schrijnend te noemen. Bent
u wel eens op een afdelingsvergadering geweest waar een motie van wantrouwen
werd aangenomen tegen uw PvdA-wethouder van Sociale Zaken die een zooitje
maakte van uw sociale dienst? Wij niet. Heeft u wel eens een PvdA-minister zien
vertrekken omdat de treinen niet op tijd reden?
Als de PvdA een goed
functioneren van de overheid niet tot haar domein rekent, met als uiterste
consequentie dat zijzelf deel uit maakt van die overheid en dus niet in de
laatste plaats zichzelf moet aanspreken, verwordt dit thema tot een speelbal in
de handen van rechtse partijen die op een onverantwoorde manier met de botte
bijl hakken in het systeem dat met sociaal-democratische handen en gedurende
decennia zorgvuldig is opgebouwd.
Maar zoals gezegd is
een efficiëntere en doelmatiger overheid geen panacé, zeker niet op de lange
termijn, voor de uitdagingen die op ons afkomen. Wat dan?
Empowerment
Een mogelijkheid die
de auteurs noemen is: kansgelijkheid in plaats van inkomensgelijkheid. In deze
benadering maakt de (linkse) politicus zich geen zorgen om de uitkomsten van
iemands individuele ontwikkelingspad (herverdeling van het inkomen) maar om de
startpositie van ieder individu (gelijke kansen creëren). Het gaat er dan om
dat mensen weerbaarder worden (‘empowerment’).
Wij zijn het niet eens met deze
benadering en zullen dit toelichten aan de hand van een analyse van de
ontwikkeling van inkomensverschillen. Zoals blijkt uit figuur zijn 1 de
inkomensverschillen gedurende de jaren zestig en zeventig fors kleiner
geworden, sterk gestegen in de jaren tachtig en gestabiliseerd in de jaren
negentig.
Figuur 1 – Ginicoëfficiënt van het besteedbaar inkomen

Bron: CBS. Hoe dichter de
ginicoëfficiënt bij 0 zit, hoe ongelijker de inkomensverdeling.
Een belangrijke factor van de ongelijkheid in de inkomensverdeling is de
technologische ontwikkeling en het scholingsniveau, zoals ook Jacobs c.s.
aangeven. Traditioneel verdienen laag opgeleide mensen minder dan de beter
opgeleiden. Er is sprake van een
toegenomen verslechtering van de inkomens positie van de groep lager
opgeleiden. Het scholingspeil stijgt weliswaar, maar de vraag naar hoger
opgeleid personeel stijgt harder. Het fenomeen van ‘skill biased technological
change’ doet zich voor, waarbij elke aanbodstijging van hoger opgeleiden leidt
tot een vraagstijging van hoger opgeleid personeel, omdat technologie
niet-rivaal is.
Is er een oplossing voor de stijgende inkomensongelijkheid? Het nastreven
van kansgelijkheid (empowerment) biedt geen soelaas. Als werkelijk elke
stijging van het opleidingspeil leidt tot een grotere vraag naar hoger
opgeleiden, en daar lijkt het wel op, zal de inkomensongelijkheid niet afnemen.
Maar ook als dit geen wetmatigheid is zijn er grenzen aan het creëren van
gelijke kansen (limits to empowerment). Een vorm van het creëren van gelijke
kansen is het investeren in scholing. Maar vanwege verschillen in aangeboren
talenten biedt dit geen soelaas. De ‘kenniscapaciteit’ per individu is
begrensd, dit in tegenstelling tot de portemonnaie.
Het CPB heeft met haar model MIMIC onderzocht wat het economische
rendement is van extra investeringen in de minder getalenteerde groep zodat
deze in ieder geval een startkwalificatie heeft. De kosten-baten analyse valt
pas gering positief uit na 25 jaar met een 1,25 procent hogere
arbeidsproductiviteit maar ook een hoger financieringstekort. Deze hogere
arbeidsproductiviteit representeert uiteraard een hogere loonruimte en hierdoor
een hoger inkomen voor deze groep: de inkomensverschillen zijn kleiner. De
winst blijkt echter laag of, gezien de onzekerheid over winst op zo’n lange
termijn, afwezig.
Ook het creëren van werkgelegenheid wordt vaak gezien als een vorm van
empowerment. Uit het proefschrift van Paul de Beer blijkt echter dat dit bij
lange na niet het geval is. De werkgelegenheid groeide in de jaren negentig met
23 procent, maar het aantal huishoudens zonder inkomen uit arbeid bleef stabiel
(40 procent in 1990 en 39 procent in 1997). De toename van de werkgelegenheid
is vooral zichtbaar in het toegenomen aantal tweeverdieners. Banengroei leidt
niet tot een meer gelijke inkomensverdeling.
Jacobs c.s. geven overigens ook toe dat kansgelijkheid niet leidt tot
gelijkheid van uitkomsten (inkomensgelijkheid). Zij prolongeren dit als
politieke keus vóór doelmatigheid ten kostte van rechtvaardigheid. Als zodanig
hebben zij dus geen oplossing voor de door henzelf geconstateerde trend van een
grotere ongelijkheid van inkomens. Ook Wouter Bos verklaarde zich onlangs
voorstander van het onzalige idee om te breken met het streven naar inkomensnivellering.
‘Het moet er niet om gaan of iedereen het zelfde krijgt,’ zei hij in juni op
het PvdA-forum. Een slecht plan.
Tien jaar geleden
verbaasde Paul de Beer zich in S&D erover dat er zo weinig over de
principiële keus tussen doelmatigheid (maximale maatschappelijke welvaart) en
rechtvaardigheid (gelijke welvaart) wordt nagedacht. Hij onderscheidt drie
verschillende concepten van rechtvaardigheid.
1) compenserende
inkomensverschillen:
inkomensverschillen worden alleen geaccepteerd voorzover ze voortkomen
uit de inspanningen waarmee het inkomen wordt verworven (het meest
rechtvaardig);
2) ulitarisme: de
hoogte van de totale welvaart staat voorop (het meest doelmatig);
3) difference principle: inkomensverschillen zijn alleen gerechtvaardigd zijn als deze
uiteindelijk in het voordeel zijn van de minst bevoorrechtte zelf (tussen
rechtvaardig en doelmatig in, vrij naar John Rawls).
Gedurende de jaren tachtig deed zich
de sterkste stijging van de inkomensongelijkheid voor, zoals in figuur 1 was te
zien. Het verschil tussen het sociaal minimum en het modale loon nam gedurende
deze periode met ongeveer eenderde toe. Volgens het difference principle van
Rawls is dit enkel gerechtvaardigd als de laagste inkomens hiervan hebben
geprofiteerd. Wat blijkt echter: de koopkracht van ‘modaal’ namen toe
met 6 procent, terwijl de koopkracht van de ‘minima’ daalde met maar
liefst 8 procent. Ook de extra werkgelegenheid die hier het gevolg van was
leidt niet tot een rechtvaardiging van de inkomensverschillen volgens Rawls’
difference principle. Aangezien de ongelijkheid in de jaren negentig ongeveer
onveranderd bleef (figuur 1) is dus aan de voorwaarden van het
rechtvaardigheidsbeginsel van John Rawls niet voldaan.
Blijft over het uiterste van het
spectrum: compenserende inkomensverschillen. Dit betekent dat een bankdirecteur
100 keer zoveel inspanning moet leveren dan een minimumloner. Dit lijkt wel erg
onwaarschijnlijk en we durven hier dan ook te stellen dat de huidige
inkomensverschillen op grond van het concept van de compenserende
inkomensverschillen niet rechtvaardig zijn.
Blijft over de ulitaristische
benadering, waarin binnen de afruil tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid
enkel oog is voor het eerste, te weten maximalisering van de totale
maatschappelijke welvaart. In wezen is dit waar Jacobs c.s. en ook Wouter Bos
op aansturen wanneer zij hun keuze voor kansgelijkheid ten kostte van
inkomensgelijkheid werkelijk menen.
Het politieke
spectrum: links pragmatisme of dogmatisme?
Als wij als linkse
mensen daadwerkelijk een rechtvaardige samenleving willen, dan is het dus
onvermijdelijk dat wij de naakte waarheid onder ogen zien en keer op keer een
loopgravenoorlog met rechtse partijen voeren om met traditionele methoden het
inkomen her te verdelen. Belasting heffen op hogere inkomens en vermogen en dit
als een soort Robin Hood naar de armen brengen in de vorm van huursubsidie,
belastingkortingen en andere vormen van jaarlijkse procentjes koopkracht. Een
cliché? Wellicht, maar niet minder dan pleidooien voor kansgelijkheid of een
efficiënte overheid. Met dit belangrijke verschil dat kansgelijkheid en
efficiency binnen de overheid ook door rechtse partijen wordt bepleit. Op grond
van haar bijzondere positie binnen het politieke spectrum moet de PvdA dus
pragmatisch omgaan met haar principes, dat is, elke gelegenheid aangrijpen
rechtvaardigheid metterdaad te bewerkstelligen. Grappig is het, dat dit vaak
als dogmatisch links wordt beschouwd.
Als we grafiek 1 nogmaals bekijken
dan zien we dat, sinds de jaren zeventig, inkomensverschillen significant
afnemen als er een links kabinet aan de macht is, sterk toenemen onder rechtse
kabinetten en ongeveer gelijk blijven onder een middenkabinet. Het lijkt er op
dat de samenstelling van het kabinet van doorslaggevend belang is bij de
verdeling van het inkomen! De PvdA moet dus na elk rechts kabinet weer
corrigerend optreden. En de kiezer is het met ons eens. Uit het
Sociaal-cultureel rapport 2002 bleek dat 62 procent van de werkenden de
inkomensverdeling te scheef vond. 70 procent van de gepensioneerden vond dit en
85 procent van de uitkeringsgerechtigden.
Overigens is inkomensnivellering niet
alleen uit het oogpunt van rechtvaardigheid nastrevenswaardig. Uit recent
onderzoek van Lex Borghans en Bas ter Weel blijkt dat in Nederland
criminaliteit relatief minder voorkomt bij ‘lagere’ klassen dan in de Verenigde
Staten, doordat de inkomensverdeling hier meer gelijk is.
Thorstein Veblen betoogde reeds aan
het eind van de negentiende eeuw dat elke euro die een rijke uitgeeft minder
productief is voor de economie dan de euro van een arme sloeber. De rijke
immers zal veel betalen voor bijvoorbeeld het merk, terwijl een groter
percentage van de euro van de minder bedeelde naar de werkzaamheden zelf gaat
die in het product zitten. Door multipliereffecten heeft de economie dus meer
aan de euro van de arme.
Daarnaast speelt de
inkomensverdeling een rol als het gaat om loonmatiging en topinkomens. De
Nederlandse economie heeft momenteel baat bij een gematigde loonontwikkeling,
maar kom daar maar eens om wanneer de ‘bovenklasse’ zich verrijkt.
Het streven naar inkomensnivellering
ontslaat de sociaal-democratie overigens niet van de plicht om oog te houden
voor de andere genoemde beleidsrichtingen, zoals wij reeds betoogden. Er is in
dit verband een vijfde trend waarneembaar die van groot belang is bij het
formuleren van een economische agenda voor de linkse politiek.
Het gaat dan om het ‘Baumol’-effect. In de dienstverlenende sector kan
niet dezelfde productiviteitsstijging gerealiseerd worden als in andere
sectoren. Toch kijken werknemers in de dienstverlenende sector bij het stellen
van looneisen naar hun collega’s in de andere sectoren. De loonstijgingen zijn
dus hetzelfde, maar in de industrie kunnen werkgevers deze betalen uit de
gestegen productiviteit, terwijl werkgevers in de dienstverlenende sector deze
‘loonruimte’ niet hebben.
De overheidssector nu
bestaat vrijwel geheel uit dienstverlening en de kosten stijgen bij
gelijkblijvende kwaliteit dus altijd meer in de collectieve sector dan in de
marktsector. Dit zet de werkdruk in de zorgsector, het lerarentekort en andere
knelpunten in de collectieve sector in een ander daglicht. Als de marktsector
altijd een sterkere aanzuigende werking heeft, moet de overheid altijd aan
kwaliteit of aan omvang inleveren. Tenzij er wordt betaald voor een kwalitatief
goede collectieve sector. Wederom is het de sociaal-democratie die zich
geroepen moet voelen deze taak op zich te nemen en binnen elk kabinet opnieuw
dit punt moet bevechten op de rechtse partijen. Onder Paars heeft de PvdA deze
rol vervuld en vele miljarden vrijgespeeld om de noodzakelijke reparaties in de
collectieve sector uit te voeren. Inderdaad slinken de wachtlijsten en het
lerarentekort. Uiteraard moet een dergelijke rol gepaard gaan met het punt van
efficiency: juist de hoeder en pleitbezorger van de collectieve sector moet
kritisch zijn hierop.
Recapitulatie
De druk op de
collectieve sector zal stijgen door de vijf trends en de sociaal-democratie
moet een antwoord hierop geven. Dit antwoord hoeft echter niet eenduidig te
zijn. De heterogenisering van de samenleving bijvoorbeeld vraagt om een sociale
zekerheidssysteem dat op de moderne levensstijl is geënt. Maar dit hoeft niet
minder sociale zekerheid te zijn. De internationalisering van de economie
ondergraaft de mogelijkheden belasting te heffen. Maar als wij hier in Europa
minimumnormen over kunnen afspreken is het probleem al veel minder groot. De
vergrijzing is een probleem. Maar in de berekeningen van het CPB die de basis
vormen voor het paniekerige kabinetsbeleid omtrent de vergrijzing stabiliseert
de schuldquote (staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen) op het
absurd lage niveau van 10 procent. Jacobs c.s. schrijven dat om de AOW te
betalen in 2040 de premiedruk (AOW-premie als percentage van het nationaal
inkomen) met 4,3 procentpunt gestegen moet zijn. Maar is dit zoveel? De
collectieve lasten daalden de afgelopen twintig jaar met 8 procentpunt tot 39
procent en de collectieve uitgaven daalden met maar liefst 17 procentpunt tot
41 procent van het nationaal inkomen. Daarmee willen we aangeven dat de
collectieve sector momenteel in historische perspectief erg klein is. Het idee
dat als we niets doen de nachtwakerstaat onherroepelijk aanbreekt omdat de
kosten van ‘onze sociale verworvenheden’ niet meer op te brengen zijn, behoeft
dan ook nuancering. Met name de inkomensverdeling, het effect van ‘Baumol’ op
de collectieve sector en de vergrijzing vragen om extra uitgaven en een groei
van de collectieve sector, waar momenteel gelukkig ook ruimte voor is. Binnen
deze collectieve sector moet voldoende ruimte zijn voor vraagsturing vanwege de
meer heterogene samenleving en optimale efficiency, maar dit zegt niet zoveel
over de omvang van deze sector en de mogelijkheden om efficiency te realiseren
zijn, zoals betoogd, uitputtend. Een pleidooi voor kansgelijkheid mag er niet
toe leiden dat de PvdA zich van haar kerntaken aangaande de inkomensverdeling
kwijt. De PvdA moet alweer in de startblokken gaan staan en haar historische
rol blijven vervullen om corrigerend op te treden.
Eddy Bekkers en
Michiel Mulder
Eddy Bekkers is econoom
en als aio verbonden aan het Tinbergen instituut.
Michiel Mulder is
student economie en werkzaam bij de gemeenteraadsfractie van de PvdA-Amsterdam
Bronnen:
CPB, De werkgelegenheid in de jaren tachtig, Werkdocument nr. 41,
Den Haag, 1991.
De Beer, P.T., Over werken in de postindustriële samenleving (proefschrift),
Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag, 2001.
De Beer, P.T., ‘Strenge rechtvaardigheid? Ontspannen keuzevrijheid!’, Socialisme
en Democratie, 1993, nr. 12.
Rawls, J., A theory of Justice, Oxford
University Press, 1972
Veblen, t., The theory of the leisure class.An
economic study of institutions. Dover publications, New York, 1899.
Interimnota
inkomensbeleid, Tweede Kamer
1974-1975, 13399, nrs. 1-2, p. 6/7
Sociaal en cultureel rapport 2002, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag,
2002.