Politici moeten investeren in onderwijs ondanks CPB-model

 

Investeringen in leraren en kinderen stuiten op een boekhoudersmentaliteit bij politiek en beleidsmakers. Het is tijd voor een kentering ten gunste van het onderwijs.

Michiel Mulder

 

Investeren in kinderen is hard nodig. De Nederlandse Gezinsraad heeft laten zien dat vijftien procent van de kinderen uit langdurig laagbetaalde gezinnen blijvende ontwikkelingsachterstanden vertoont. De armoede onder kinderen is in de afgelopen twintig jaar verdubbeld tot tien procent, ondanks de economische welvaartsstijging. Uit sociologisch onderzoek blijkt dat gezinsinvloeden van nog groter belang zijn voor het leren en ontwikkelen van kinderen dan omgevingsfactoren.

In het Nederlandse onderwijs verdienen leraren zeer weinig in vergelijking met hun Europese collega's en is de werkdruk veel hoger. Dan is het dus niet zo gek dat scholen met onvervulbare vacatures kampen. De Algemene Onderwijsbond luidde daarover onlangs de noodklok.

Goed onderwijs en werkelijk gelijke kansen voor kinderen kunnen niet op een koopje. En als we het geld er niet voor vrijmaken, krijgen we op termijn de kosten voor onze kiezen.

Dat zien we echter niet terug in de economische rekenmodellen van het Centraal Planbureau waar veel politieke partijen rekening mee houden. Neem het probleem van de laaggeletterdheid. Bijna elf procent van de Nederlanders is functioneel analfabeet. De onderzoekers Henriette Maassen van den Brink en Wim Groot hebben berekend wat de maatschappelijke kosten zijn van laaggeletterdheid. Zij kwamen tot de conclusie dat als laaggeletterdheid uitgebannen zou worden in de samenleving, dit een besparing oplevert van een half miljard euro doordat er minder zorgbehoefte is, minder sociale uitkeringen en minder criminaliteit.

Het Centraal Planbureau neemt in de doorrekening van de verkiezingsprogramma's deze effecten niet mee. Dat komt omdat het Centraal Planbureau de structurele effecten op de economische groei berekend met behulp van een arbeidsmarktmodel bestaande uit twee componenten: arbeidsaanbod en arbeidsproductiviteit. Tezamen bepalen deze de structurele economische groei, die van belang is voor het berekenen van de kosten van de vergrijzing.

 

De verlaging van alle tarieven van de inkomstenbelasting die de VVD voorstelt, werkt op beide componenten gunstig uit. De arbeidsparticipatie stijgt, maar ook de arbeidsproductiviteit, omdat mensen meer geneigd zijn in zichzelf te investeren in de vorm van scholing. Dit leidt immers tot een hoger salaris, en als de belastingtarieven lager zijn, is de salarissprong groter. Maar als de overheid besluit meer in mensen te investeren in scholing, leidt dat in het structurele groeimodel niet tot een hogere arbeidsproductiviteit.

En hier komen we aan het probleem van de boekhouders. In haar verkiezingsprogramma, dat overigens ook in een versie voor laaggeletterden beschikbaar is, pleit de PvdA voor een actieplan alfabetisering. In het PvdA-programma wordt 2 miljard euro uitgetrokken voor onderwijs - twee keer zoveel als de regeringspartijen doen - waarvan een fors deel voor de 'voorschool' waarin taalachterstanden nog vóór de kleuterschool worden bestreden. Leraren op de basisschool en het VMBO gaan er tot tien procent op vooruit. Nóg eens 2,3 miljard euro wordt uitgetrokken voor kinderopvang - zes keer zoveel als de VVD - waarbij uiteraard een overlap is met de voorschoolse educatie. Kinderopvang kan op deze wijze een educatieve rol gaan spelen met oog voor de ontwikkeling van kinderen.

Weliswaar heeft het Centraal Planbureau dit type investeringen gekwalificeerd als 'kansrijk kennisbeleid' in haar gelijknamige notitie, maar in de structurele groeicijfers zien we er niets van terug.

Op zichzelf is daar wel een reden voor. In theorie kunnen extra publieke investeringen, private investeringen uit de markt drukken. Deze algemene benadering doet echter geen recht aan de realiteit. Niemand kan volhouden dat overheidsinvesteringen in een voorschool of in het basisonderwijs investeringen van particulieren onaantrekkelijk maken.

 

Het is dus goed dat politici moed tonen en verder durven te kijken dan de modellen. Want werken met dit CPB-model heeft het gevaar in zich dat er weer zoals in de jaren tachtig fors wordt bezuinigd op het onderwijs. Dat is immers een vrij gemakkelijke manier om voor het oog het huishoudboekje van de overheid op orde te krijgen. Ook dreigt het verstrekken van een sigaar uit eigen doos, zoals de kabinetten-Balkenende deden. Bijna al het geld dat in onderwijs werd gestoken, haalde de overheid via efficiencykortingen en de nullijn voor leraren via de achterdeur weer binnen. De vele honderden miljoenen die in de kenniseconomie werden gepompt voor vage projecten werken niet, als de basis niet op orde is.

En de basis wordt gevormd door structurele investeringen in onze kinderen en ons onderwijs. Daarom is het tijd voor een kentering, waarbij niet langer de boekhouder centraal staat, maar het kind en de leraar.

 

Michiel Mulder is econoom, lid verkiezingsprogrammacommissie en vice-voorzitter gemeenteraadsfractie PvdA te Amsterdam.